MILJARDEN FLARDEN 742
MILJARDEN FLARDEN 742
Gelui, gebeier, geklok, geklep, gebons: het kon hem (paasbesterig, kersterig) vrolijk stemmen, het kon hem ook vloekend de gordijnen in jagen. Gelukkig was het geen roeping. Het klonk alleen maar als het mager gebeier van een pastoraal klokje in een bergdal waar geiten Lottie en Bella heten en het meisje Heidi uit de kom van haar handjes water drinkt aan het dorpsfonteintje. Misschien was het halfdrie op een middag in een Oostenrijkse vallei uit een Oostenrijkse film in een Amerikaanse studio met op de achtergrond een groot groen paneel. Neen: geen wijnwater uit een kelk voor hem. Wel het grondsop van de goddelozen uit wereldse bekers. Het gevaar was geweken voor de Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.