MILJARDEN FLARDEN 820 Hij was geen aanhanger van hoofddeksels. Hij verfoeide de petdragers, de motorhelmmidlifers, de bandanasnobs, de bivakimbecielen, de kappubers (dat woord: hood!), de hoedgelovers, de vrouwen met een complete fruitveiling op hun staketsel van haar, koninginnen van Nederland met een rotonde op hun kaaskop, de zonneklepidioten, de pettengabbers, de mutsentorsers, de kepielullen, de hairbaggers, het bakfietshelmgepeupel, zelfs de zweetbandjoggers. De reden voor zijn afkeer was simpel: hij had tot nu toe nog niet het gepaste hoofddeksel voor zijn eigen kop kunnen bemachtigen. En dat had hij dringend nodig, want de winter stond alweer voor de deur. Reeds schuurden in de verte de bezems van de heksen van de herfst over de stenen. Geen kopzorg echter voor de Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.