MILJARDEN FLARDEN 759
MILJARDEN FLARDEN 759
Op een ochtendmistelijke dag stichtte ik een heilig vuur aan de rand van de stad, net op de valstreep van dagelijkse drukte. Hoogbejaarde vrouwtjes met zwarte hoofddoeken en takkenbossen op hun rugjes gekromd als vraagtekentjes knikten me dankbaar toe. Wind uit oude dagen wakkerde de vlammen aan, die gretig als hellehonden zichzelf likten. Heimweemoed palmde me in. Een miskloon die met opgeruimde benen uit zijn alkoof was gestapt – o red ons van die gepimpte breedsmoelkikkers die des ochtends reeds rondhossen met een glimlach van oost tot west op hun mombakkes – vroeg me frikkerig: ‘Aloha gij daar, mesteling: denkt gij het vandaag buiten warmer te kunnen stoken dan gisteren binnen?’ Ikzelf antwoordde: ‘Vlaanderen spaanderen!’ Die zat, vanwege de Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.