MILJARDEN FLARDEN 846
MILJARDEN FLARDEN 846
En op een keer, een beduusde keer, midden dat woeste zwijgzame landschap, dan houdt de trein kreunend halt. Alle reizigers vriezen in een mum van tijd dood. De woede van de winter kent geen grenzen. De woede van de winter is metaforisch. Tijdloosheid zet zich op draden, hefbomen, seinen en palen af. Er schijnt een vale kaasmaan. Het voetlicht van de maan baadt in gestremd water, dat de rimpelmaan weerkaatst, de eeuwigdurende herhaling, de eeuwigdurende repetitie. Uit ‘Levende ziel’, de remake van ‘De stiftenridder en ondergetekende’, van de Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.